zondag 30 december 2012

Entropie


Kun  je wennen aan nachtmerries?
Een vriend van mij heeft altijd nachtmerries, zodanig dat hij bij de unieke gelegenheid dat hij een slaapperiode nachtmerrieloos doorgekomen is, dat de moeite van het vermelden waard vindt. Lijdt hij eronder? Ik kan natuurlijk niet in zijn schedel kijken, maar hij treft me niet als een beschadigd personage uit Lovecraft of Poe, zwaar aangedaan en diep beïnvloed door hetgeen hem ’s nachts overkomt. Is hij misschien in de loop der jaren gehard geraakt? Heeft hij geleerd de nachtmerries te herkennen als zodanig en ermee om te gaan? Is hij, kortom, gewend geraakt aan nachtmerries?

Ikzelf heb zelden nachtmerries. Wel droom ik veel, maar over het algemeen zijn het opeenstapelingen van surrealistische scènes, soms met een plezierige erotische ondertoon, vaker min of meer neutraal. Een heel enkele keer maak ik in mijn droom vreselijk ruzie met mijn dierbaarsten en uiteraard lopen de gestorvenen doodgemoedereerd over gods dreven of er nooit wat gebeurd is. Dat zijn, wellicht enigszins op de ruzievisioenen na, tamelijk rustige, niet verwarrende dromen.

Maar heel soms galoppeert er een heuse nachtmerrie door mijn kop. Het terugkerende thema is, in één woord samengevat: entropie. Het uit elkaar vallen van alle orde, het langzame, en door niemand dan mezelf opgemerkte verslonden worden van alles en iedereen. Mensen die ik ken en bemin, worden abstracte slierten materie, waarvan de helft reeds verdwenen is in één of andere allesbrander. Buiten de deur woedt de chaos en de deur zelf begint vervaarlijk naar binnen te bollen. Plotseling is de vloer van ons slechts in schijn veilige toevluchtsoord bezaaid met duizenden punaises. Mijn schoenen stromen als een bruine stroop over de grond. Ik heb ineens geen handen meer.

De stalen deur springt open en de allesbrander blijkt gegroeid te zijn tot het vijfvoudige van zijn oorspronkelijke omvang. Ben ik dan werkelijk de enige die dat ziet gebeuren? De drie meisjes met wie ik aan het spelen was zijn nu volledig overgegaan in een vloeibare vorm en stromen traag naar buiten, een kleurrijke baaierd van punaises met zich meevoerend.

Dan hoort iets in mij het allerminiemste kuchje of zuchtje en met een bonzend hart zit ik klaarwakker rechtop in mijn bed. Hoe vroeg het ook is, ik moet eruit. Alles liever dan terugkeren naar mijn droomwereld. Ik weet dat mijn hele verdere dag een moeilijke zal zijn, want dergelijke dromen schud ik niet zomaar weer uit mijn hoofd. Op allerlei niveaus blijven mijn hersenen ermee bezig. Het belangrijkste effect is een doorzeurende somberheid, die ik na een echt heftige nachtmerrie zelfs herken als een lichte vorm van depressie, waar het vooruitzicht van verder te moeten leven me vervult met angst en weerzin. Vooral raak ik door de nachtmerrie intens doordrongen van de totale zinloosheid van alles. Zoiets doet de realisatie van de entropie met mij.

Je kunt zeggen dat ik duidelijk niet gewend ben aan nachtmerries. Zouden mijn reacties op kwade dromen minder heftig worden naarmate ik er meer last van zou hebben? Ik moet het eens aan mijn vriend de ervaringsdeskundige vragen.

zondag 2 december 2012

Dwanghandelingen

Je komt van alles tegen. Ik werk op een grote bibliotheek en op het moment ben ik al weken heel intensief bezig met het literaire genre van de fantasy. De zeer complete, zeer immense bibliotheek van een niet zolang geleden overleden verzamelaar is bij ons terechtgekomen en ik mag die verwerken. Het gaat hier om letterlijk honderden meters fantastische literatuur. Blijkbaar las de verzamelaar niet over de grens, want het zijn allemaal vertalingen in het Nederlands. De twee grote spelers zijn dan Meulenhoff en Luitingh. Ik herken er wel het een en ander van, want op het moment is mijn zoon een smaak aan het ontwikkelen voor dit genre. Hij zit dan met zijn boek op de bank en zegt, een beetje opschepperig: ‘Vijfhonderdachtenveertig pagina’s deze!’ En inderdaad, het zijn stuk voor stuk onmogelijk in één hand te houden bakstenen.
De overleden verzamelaar heeft nauwelijks keuzes gemaakt, iedereen die iets betekent in het subculturele wereldje van het genre is zo compleet mogelijk aanwezig: David Eddings, Weis & Hickman, George R. R. Martin, Terry Brooks, Raymond E. Feist, Robert Jordan, noem maar op. Elk fantasy-thema wordt uitgebreid behandeld: draken, magiërs, krijgers, prinsessen, oermensen, zwaarden, queesten, ringen (oh, zo ontelbaar veel ringen!) bokalen, orcs en trollen - het houdt maar niet op. Nu ja, uiteindelijk houdt het wel op, natuurlijk. Wij zijn bijna klaar met de verwerking: nog zo’n vijftien meter.
Er moeten dagen geweest zijn dat de verzamelaar met vijftien of twintig van dit soort vuistdikke pillen naar huis gekomen is. Ik stel me zo voor dat dit met enig ritueel gepaard ging, misschien als volgt:

De brommer is netjes geparkeerd onder het afdakje in het minieme voortuintje in de troosteloze buitenwijk. De diepvriesmaaltijden zijn in de koelkast geborgen en dan zet de verzamelaar zich in zijn Luie Stoel, met de Asbak op Poot ernaast gereed voor de eerste van een lange reeks peuken, een glas Roje Wijn op een veilig plekje op het bijzettafeltje. Zijn zwartwit gevlekte hondje ligt vredig in zijn mand. De verzamelaar is klaar om zijn nieuwste aanwinsten uit de boodschappentas te halen, door te bladeren en te sorteren. Sommige boeken kunnen meteen de kast in, andere moeten eerst een inburgeringcursus ondergaan en komen terecht op langzamerhand niet meer controleerbare stapels tegen muren, op vensterbanken en op punten van tafels en bureaus. Als het boek een deel van een bestaande reeks is, plakt de verzamelaar een reeksnummer op de rug. Als in de grote map met krantenknipsels die de verzamelaar bijhoudt een recensie of artikel over dit betreffende boek opgeslagen is, moet dat toegevoegd worden.
Aan de hand van internetinformatie controleert de verzamelaar het ISBN. Indien dat foutief is aangegeven, staat hij op, loopt naar zijn typemachine, typt de juiste getallen uit en knipt een minuscuul strookje met die tekst uit dat hij over de foute getallen heen lijmt. Op het Internet achterhaalt de verzamelaar tevens de volledige drukgeschiedenis van het werk, zowel in de oorspronkelijke taal als in het Nederlands. Die gegevens schrijft hij allemaal in een hoekig handschrift nauwgezet op A6-velletjes blocnotepapier. Het is me een raadsel waarom hij deze gegevens niet ook uittikt.
Mijn beeld van hem is bijna compleet. Alleen wat voor muziek hierbij gedraaid wordt, daar ben ik niet achter. ’t Hangt natuurlijk af van de leeftijd van de verzamelaar. Is hij jong nog, een jaar of zestig, dan Genesis, vermoed ik, of misschien iets als Blackmore’s Night. Is hij ouder, dan wellicht Richard Wagner, of juist The Early Music Consort? Of iets totaal anders, swing misschien? Glenn Miller en Duke Ellington? Hier kom ik niet uit.

Ik fantaseer natuurlijk. Toch kun je veel over iemand te weten komen door wat hij met zijn boeken uitricht. Flann O’Brien heeft ooit een bedrijf voorgesteld dat tegen betaling bibliotheken “gelezen” maakt: aantekeningen, ezelsoren, theaterkaartjes, krantenknipsel. Korte essays kostten meer. Zo kan de aliteraire snob zijn bibliotheek op geloofwaardige wijze salonfähig krijgen zonder zelf een letter te hoeven lezen. Ik denk dat dit niet altijd kan werken, of het bedrijf moet buitengewoon veel tijd en studie in zijn werk steken. De werkelijkheid is dat een echte verzamelaar bijna autistisch overkomt, met een grote verscheidenheid aan dwanghandelingen, die echter wel alle naar een bepaald patroon wijzen.
Mijn overleden fantasy-verzamelaar bijvoorbeeld, heeft niet alleen in ieder boek een aantal vellen met aanvullingen gelegd, maar zodra er meer dan drie familieleden betrokken waren bij het plot, heeft de man een heuse stamboom uitgetekend. Samenvattingen zijn in de boeken gestoken, handgeschreven naamlijsten, recensies, vooraankondigingen en correcties. Wat nog het griezeligste hieraan is: de gestorvene heeft blijkbaar alles gelezen! Hij heeft drukken van hetzelfde werk met elkaar vergeleken! Als hij een bepaalde titel als pocketboek had, en er kwam een paperbackversie uit, dan verving hij het pocketje. Als er een gebonden uitgave bestond, schafte hij zich die aan.
Soms, als hij vond dat een boek niet logisch samengesteld was, rukte hij katernen los die hij dan in een andere volgorde legde. Ook voegde hij katernen van andere boeken toe om compleetheid te bereiken. Dat ging dan allemaal naar de binder en werd uniform (en bijzonder lelijk) ingebonden.
Een volstrekt monomane vent, derhalve, iemand die voor mij totaal onbegrijpelijk is. Ik bedoel: het zijn toch alleen maar (vaak puur slechte) vertalingen van Engelse en Duitse fantasy? Wat een tijd, geld en energie moet deze man besteed hebben aan iets zo triviaals! En toen ging hij dood. En wilden zijn nabestaanden af van al die fantasy-meuk.

Wat ben ik dan blij dat ik niets verzamel.
(Nu ja, op mijn harde schijf vol muziek na, natuurlijk.)
(Oh, en een tweede harde schijf met televisie- en radioprogramma’s van de BBC. Maar dat is echt alles.)
(Oh, OK: en ook nog een harde schijf met e-books.)

HELP!

woensdag 28 november 2012

Ballade van de gestorven jeugd

Ik weet ik heb mijn jeugd te vaak gezien
als iets dat altijd met me mee zou groeien,
dat radeloos beroerd kon zijn misschien,
maar toch na korte tijd weer op kon bloeien,
dat levenslang daar was, zonder vermoeien.
Ik wist dat zij kon grienen van verdriet,
en dat zij soms van hoge koorts kon gloeien,
maar dat mijn jeugd kon sterven wist ik niet.

Een deel van wat je wordt komt als een gift,
een boek, wat liederen, en wat gebaren.
Alsof een fijne kam het leven zift
en weet wat nodig is om te bewaren.
Na meer dan tweeëntwintig levensjaren
is dat vooral wat rest in mijn vergiet.
Ze zat wel vol met littekens en blaren,
maar dat mijn jeugd kon sterven wist ik niet.

Mijn kinderen zijn zo oud nu als mijn jeugd,
en hebben net hun eigen jeugd gevonden.
Ze zijn er blij mee en dat doet me deugd.
Het lot heeft iemand als mijn gids gezonden.
't Is goed met hem zo hecht te zijn verbonden:
die dichter en zijn jonge, wijze lied.
Ze had natuurlijk altijd wel wat wonden,
maar dat mijn jeugd kon sterven wist ik niet.

Principes leg ik langzaam naast me neer:
ik laat me steeds meer door gevoelens leiden:
een kind onder een dikke laag meneer.
Geen mens wil immers van zijn jeugd ooit scheiden
met zoveel ouderdom nog in het verschiet.
Ik wist dat zij verschrikkelijk kon lijden,
maar dat mijn jeugd kon sterven wist ik niet.

(Deze liedtekst heb ik tien jaar geleden naar aanleiding van de dood van Lennaert Nijgh voor mijn zingende vriend Jan-Paul geschreven, die er onmiddellijk prachtige muziek bij heeft gecomponeerd.)

woensdag 21 november 2012

Oprechte ontroering

Ik merk dat ik, nu ik midden vijftig ben, veel minder gemakkelijk oprechte ontroering in mezelf kan opwekken dan, pakweg toen ik in de twintig was. Ik geloof niet dat ik in zijn algemeenheid hier iets wereldschokkends te berde breng – de meeste mensen zullen hun soms wat naïeve verbazing van weleer met het klimmen der jaren hebben afgelegd en ingeruild voor een regenbestendig laagje van wat straffer materiaal. Bij mij heeft een hoge dosis ironie mijn in wezen pessimistische wereldkijk verrijkt. Of mogelijkerwijze verarmd, want gelukkiger ben ik er niet door geworden, ook al heeft die geharnaste ironie me bepaald nogal eens voor ondoordachte en fatale impulsen behoed.
Wel schiet ik tegenwoordig veel gemakkelijker vol dan vroeger, maar is dat eigenlijk wel het gevolg van een oprechte emotie? Neen, ik vrees dat dit verschijnsel meer met sentimentaliteit te maken heeft dan met ontroering, vals dus en wat mij betreft eerder onoprecht, een conditionering misschien, die ik mezelf onbewust opgelegd heb. In sentimentaliteit is mijn persoon als het ware niet gelijkwaardig aan de emotie. In ontroering wel. Oprechte ontroering kan ik als gelijkwaardige in de ogen zien.
Wat voor zaken hebben me in het verleden ontroerd tot het pijn deed? Kunst en poëzie vanzelfsprekend, maar ook natuur. Architectuur, literatuur (Russische!) en muziek. Steeds doorzoekend, niet wild alle kanten uit, maar in langzaam wijder wordende spiralen cirkelend om wat ik als mijn eigen kern begon te beschouwen, geraakte ik van ontroering naar ontroering. Ach er was zoveel te ontdekken en eigen te maken.
In mijn geheugen gegrift is het moment dat ik voor het eerst de schilderijen van Botticelli en Ghirlandajo in het echt zag, of in Gent Het Lam Gods van de broers van Eyck. Of Montmartre, het Comomeer vanuit Bellagio, het Evoluon, Victoria Station, de Drachenfels.
Dat vermogen tot emotie is kwijt, verloren geraakt, een herinnering geworden, waar ik heimwee naar heb. De laatste tijd steeds meer.
Het was met dergelijke overpeinzingen dat ik, vergezeld van mijn lief, de tentoonstelling De weg naar van Eyck ging bezoeken, in het Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam. Eens kijken of er iets terug kon keren van de verbaasde jongeman die ik ooit was.
We gingen vroeg, tevergeefs, om de grootste drukte voor te blijven. Bij dit soort groots aangepakte tentoonstellingen valt me telkens weer op hoe onbeschoft de gemiddelde museumganger en –gangster is. Terwijl je staat te kijken op pakweg anderhalve meter afstand, schuift het beeldendekunstentuig rustig voor je, om hunne snufferds bijkans ín de verf te steken, daarbij duwend en ellebogend alsof we bij een gaarkeuken in oorlogstijd staan. Nu heb ik zelf ook grote moeite met de details van deze, overwegend zeer kleine schilderstukjes, en ook ik moet mijn bril afzetten en op een decimeter afstand gaan staan turen om iets te kunnen zien, maar ík controleer wel eerst of er niet nog iemand anders staat te kijken.
Waar ik ook niet aan gedacht had, was het feit dat dergelijke toptentoonstellingen natuurlijk in de sfeerloze nieuwe vleugel gehouden worden. Geen plek voor al te diepe ontroering.
En dan was er het verschijnsel van de smart-phones. Als trotse bezitter van een ouderwetsche vaste telefoonaansluiting en mijn broekzakken heerlijk leeg van mobieltjes, was ik er niet van op de hoogte dat de audiovisuele tour tegenwoordig via dit onplezierige medium plaatsvindt. Menigmaal kon het gebeuren dat een bezoeker er de voorkeur aan gaf om het besproken kunstwerk via hun treurige lcd-schermpje te bekijken, in plaats van in het echies.
Uiteindelijk was de tentoonstelling ondanks alles wel degelijk een goed opgebouwd betoog  geworden van de samensteller, Friso Lammertse, die glashelder liet zien hoe de cultuur van de vroege 15e eeuw logischerwijze moest leiden naar de nieuwe esthetiek van van Eyck, wiens te weinige tentoongestelde werken op spectaculaire wijze superieur waren aan dat wat eraan vooraf gegaan was. Niettemin vond ik het jammer dat in het kunsthistorisch betoog de vent van Eyck niet echt een kop kreeg: hij bleef een mysterieus en ongrijpbaar silhouet.
Geen spoortje van ontroering bij de Dwarse Man, overigens. Jammer, maar we blijven proberen.

zaterdag 10 november 2012

Growing old disgracefully

Natuurlijk, iedereen wordt ouder. En het is eigenlijk niet fair om daar al teveel aandacht aan te besteden. Maar voor iemand die is opgegroeid onder begeleiding van gevallen engelen en magische sjamanen met lange, wapperende haren, is het toch wel even slikken bij het aanschouwen van de teloorgang van sommige van die jeugdidolen. Een van de bekendste en meteen meest tragische, is misschien wel Syd Barrett, de onfortuinlijke eerste leider van Pink Floyd, wiens aangeboren instabiliteit, in combinatie met LSD, van hem in hoog tempo een wrak maakte. Huiver nog maar een keer mee:
Iemand die nog veel meer mijn vormingsjaren kleur heeft gegeven was Pete Sinfield, de jongen die met zijn (ondertussen wat mij betreft wel voor 95 % als reddeloze kitsch doorgeprikte) songteksten een vreemd, intellectueel en quasi-psychedelisch kunstgroepje, genaamd Giles, Giles & Fripp, omvormde tot de ultieme progressive-rock-mastodont King Crimson. Als je goed kijkt zie je dat hij eigenlijk niet eens zo vreselijk veel veranderd is: die ogen, die neus.
Net weer een nieuwe dubbel-CD, waar de fans zich van zijn doodgeschrokken (nummers van een half uur!). 'Vroeger al geen mooie jongen,' vindt de huisgenote. Ik weet dat zo net nog niet: met zijn lange, vette haar, prominente bakkebaarden en priemende ogen was hij beslist wel een soort archetype voor ons would-be hippies. Neil Young:
Voor mij zal Fleetwood Mac tot in de eeuwigheid een bluesband blijven, zonder Amerikaanse dames of gelikte liedjes. De leider van de enige echte Fleetwood Mac was en is Peter Green, en ook hij heeft het niet makkelijk gehad. Door een soort van godsdienstwaanzin getroffen, besloot hij dat de band al het verdiende geld aan ideële doelen moest schenken. Exit Peter Green.
Ik heb, veel later, nog ooit een documentaire gezien waarin hij vereenzaamd en ietwat vervuild achter altijd gesloten gordijnen in een rijtjeshuisje woonde, met nagels van vijf centimeter lang. Er was, vertelde hij, geen gitaar in het huis te vinden. Maar hij zou toch, als het mocht, graag nog eens met Fleetwood Mac spelen.
Tegenwoordig gaat het weer veel beter met hem en hij speelt weer de blues.
Was het dan alleen deze generatie die zich te buiten ging aan allerlei slechts en aldus hun verouderingsproces met groot enthousiasme een handje hielpen? Nee. Natuurlijk niet. Kijk eens wat een leven van seks, drugs en rock 'n roll heeft gedaan met David Lee Roth, ooit de vitale blonde god van hardrockband Van Halen. Deze vind ik persoonlijk de meest angstaanjagende van allemaal! Deze transformatie is zo verontrustend, dat het geruchtencircuit over allerlei mogelijke vreselijke degeneratieziektes rept, maar daar wordt officieel helemaal niets van bevestigd. Die argwaan in zijn ogen - kan die van iets anders gekomen zijn dan van de witte sloper?
En toch, het hoeft echt niet altijd zo dramatisch te verlopen. Laten we positief eindigen. Wie herinnert zich nog Arlo Guthrie, de zoon van folk-held Woodie Guthrie? Arlo werd bekend met de LP Alice's Restaurant en hij vormde een rustpunt in het tumult van Woodstock.
Ik moet toegeven dat zijn stijl van ouder worden nou ook bepaald niet de mijne zou zijn, maar niettemin: thumbs up, Arlo! Goed gedaan! LOL!






 

dinsdag 30 oktober 2012

Hedy Lamarr en frequency-hopping


Hedy Lamarr (1914-2000) was geboren in Wenen als Hedwig Eva Maria Kiesler, de dochter van de Oostenrijkse bankdirecteur Emil Kiesler en de Hongaarse pianiste Gertrud Lichtwitz. Nadat ze op haar zestiende de school verliet, ging ze naar de beroemde acteerschool van Max Reinhardt in Berlijn. In 1933 speelde ze in de Tsjechische film Extase, die ogenblikkelijk beroering bracht in het toch al opgewonden culturele wereldje van het Interbellum. De jonge hoofdrolspeelster verscheen, als eerste vrouw in de filmgeschiedenis, volledig naakt in een flink deel van de film. Na een zwempartij van tien minuten en een schier eindeloos naakt door de bossen en heuvelen achter haar paard aanrennen, beeldde ze verderop in de film nog een orale seksscène uit, inclusief orgasme. Vanzelfsprekend was ook dat weer een primeur in de filmgeschiedenis. In haar later geschreven autobiografie liet Hedy Lamarr min of meer in het midden of deze scène gesimuleerd was of niet. Het orgasme, zo stelde ze, was bereikt met “method acting reality”. Hoe dubbelzinnig kun je zijn? Ze voegde daar nog aan toe dat ze tijdens de opnamen de juiste passie in haar gezichtsuitdrukking had verkregen doordat de regisseur haar op strategische momenten met een speld in haar billen had geprikt. Hoe het ook zij, of deze scène nu echt was of gesimuleerd, het schandaal was er en heel Europa had het erover.
Het privéleven van Hedy was interessant. Al heel jong trouwde ze met de dertien jaar oudere prominente fascist en wapenhandelaar Fritz Mandl en als trophy-wife werd ze door haar man meegetroond naar bijeenkomsten, bals en onderhandelingen. In die hoedanigheid ontmoette ze Hitler en Mussolini. Ze was een intelligente vrouw en stak en passant het een en ander op over wapensystemen, iets dat haar later nog van pas zou komen.
Mandl was een buitengewoon jaloerse en bezitterige echtgenoot en Hedy kon geen stap zetten zonder dat hij op de hoogte was van haar doen en laten. Hij beijverde zich om alle copieën van Extase op te kopen en te vernietigen. De druk die hij haar dagelijks oplegde werd Hedy al snel te groot. Tijdens een feest drogeerde ze haar kamermeisje, trok haar uniform aan en wist na een spannende achtervolging, omhangen met al haar juwelen, te ontsnappen naar Parijs, alwaar ze een echtscheiding aanvroeg en verkreeg.
In Londen tekende ze al snel een contract bij filmmaatschappij MGM. Toen ze in Hollywood was aangekomen werd haar naam door Louis B. Mayer veranderd in Hedy Lamarr. Ze werd gebracht als de nieuwe Greta Garbo. In de veertiger jaren maakte ze een kleine twintig films met sterren als Charles Boyer, Clark Gable, Spencer Tracy, en Victor Mature als tegenspelers. Telkens weer speelde zij de rol van de exotische, fatale verleidster. Ze werd de mooiste vrouw van de wereld genoemd.
Gedurende de oorlog leerde ze de componist George Antheil kennen, die in Hollywood haar buurman was. Deze veelzijdige componist, die met zijn compromisloze mechanische muziek en excentriek gedrag eveneens wereldwijde schandalen had veroorzaakt, had haar belangstelling gewekt door een geheel ander aspect van zijn productie. Op grond van zijn onwaarschijnlijke boek Every man his own detective, een verhandeling over de endocrinologie als gereedschap in de criminologie, meende Hedy dat hij een specialist was die haar met haar eigen, persoonlijke probleem zou kunnen helpen. Ze vond namelijk dat haar borsten te klein waren en hoopte dat Antheil ze door middel van een hormoonbehandeling zou kunnen vergroten.
Maar tijdens de gesprekken bleek al gauw dat ze nog een andere gedeelde belangstelling hadden, één die veel urgenter was in de dramatische tijd waarin ze leefden. De Tweede Wereldoorlog en de bestrijding van de door hen beiden verafschuwde Adolf Hitler.
In de twintiger jaren reeds had Antheil geëxperimenteerd met systemen voor de automatische bediening van muziekmachines, bijvoorbeeld in zijn Ballet Méchanique, waar zestien pianola’s simultaan moesten draaien. Op basis van die vroegere muziektechnische experimenten ontwikkelden ze in 1941 samen een geheim communicatiesysteem voor torpedo’s, dat in 1942 gepatenteerd werd. Deze eerste versie van het zogenaamde frequency hopping (in lelijk Nederlands: frequentieverspringing) maakte gebruik van een pianorol om tussen 88 verschillende frequenties heen en weer te springen en het zo de vijand heel moeilijk te maken om te knoeien met de radiobestuurde torpedo’s.

Omdat het hun er alleen maar om te doen was hun steentje bij te dragen aan de oorlogsinspanning, boden ze hun patenten gratis aan het Amerikaanse Marine aan. Ondanks fanatiek gelobby van Antheil, moest de Marine evenwel niets hebben van de uitvinding, voornamelijk vanwege hun eigen foutieve veronderstelling dat het mechanisme veel te groot zou worden om in een torpedo te passen. Antheil was het daar helemaal niet mee eens en beweerde dat ze het klein genoeg konden krijgen om het in een horloge te passen. De werkelijke reden waarom de Marine zo negatief was lag volgens Antheil in het feit dat hij bij zijn presentatie het onderliggende mechanisme had vergeleken met een pianola. 'Een grote psychologische fout,' gaf Antheil toe. Vanaf dat moment kon geen marineambtenaar meer serieus naar het patent kijken zonder zich een speeldoos in een torpedo voor te stellen en in hoongelach uit te barsten.
Pas in 1962, toen het patent al een paar jaar verlopen was, maakte de Amerikaanse marine tijdens de Cuba-crisis voor het eerst (en met succes) gebruik van een methode gebaseerd op dit patent.
Nog weer veel later stond het frequency-hopping van Hedy en George aan de basis van de moderne spread-spectrum communicatie-technologie, zoals die door onder andere Bluetooth toegepast wordt in Wifi netwerken.
In haar lange, lange latere leven werd Hedy Lamarr steeds meer een zonderlinge, ietwat tragische kluizenares. Na zes keer getrouwd te zijn geweest, hield ze dat in 1965 verder maar voor gezien. Ze werd een paar keer opgepakt wegens winkeldiefstallen, maar wist één en ander telkens te sussen. Wanneer er maar de geringste aanleiding toe was, begon ze rechtszaken. Zo eiste ze tien miljoen dollar schadevergoeding van Mel Brooks vanwege het gebruik van haar naam in Blazing Saddles. Dit werd buiten de rechtbank geschikt voor een onbekend gebleven bedrag.
Pas tegen het eind van haar leven werd ze erkend als uitvindster. In 1997 ontvingen zij en de reeds in 1959 overleden George Antheil de Electronic Frontier Foundation (EFF) Pioneer Award. In datzelfde jaar werd Hedy Lamarr de eerste vrouw die de BULBIE Gnass Spirit of Achievement Award ontving, een prestigieuze prijs die bekend staat als de Oscar voor uitvinders.
Hedy Lamarr stierf in 2000, 86 jaar oud.

zaterdag 27 oktober 2012

De woesteling van Hollywood

Een intrigerend gezicht had hij: er was een zekere gelijkenis met de robuuste, volkse hollywoodcharme van James Cagney. Maar bij nadere bestudering van zijn ogen en zijn wrede mond zou men zich ook wel kunnen voorstellen dat hij, jongensachtig, afstandelijk, ironisch en ietwat blasé zou figureren in Brideshead Revisited, of als een fighter-pilot in een Sopwith Camel in 1917: de meedogenloze maar poëtische co-piloot van de dood.
Er zat iets ernstigs in zijn blik, maar vooral ook iets melancholieks, iets gelatens misschien, alsof hij een zwaar leed met zich mee moest dragen, dat hij in de loop der tijd (hij was altijd een paar jaar ouder dan hij eruit zag) geleerd had onderin een la verborgen te houden. Voilà: het portret van Georg Carl Johann Antheil (1900-1959), befaamd als The Bad Boy of Music.
Antheil was een in de Verenigde Staten geboren componist en pianist van Duitse afkomst. Zijn muzikale talent was overduidelijk en vanaf zijn zestiende was hij in de leer bij een vroegere leerling van Franz Liszt. Maar al snel dwaalde zijn belangstelling af en in 1919 ontdekte hij de mechanische bruutheid en de polemische agressie van Dada en de Stijl. Dát wilde hij ook! Hoewel hij zijn lawaaimuziek, vol bruuske, onsubtiele effecten, zonder twijfel ook gewoon mooi vond, waren zijn concerten toch vooral bedoeld om te choqueren. 
Het waren concerten als manifestaties of preciezer nog: als demonstraties. Een concert waar de zaal niet tot razernij gebracht was, gold voor Antheil als een mislukt concert. De geest waarde rond van iconoclasten en relschoppers als Alfred Jarry of Tristan Tzara, en voor iedereen die rond 1977 punkrockers als Johnny Rotten of the Clash bezig gezien heeft, is een vergelijkbaar cultureel manifest tegen de tijdgeest bij Antheil goed herkenbaar.
Hij verwierf de patronage van Mrs. Curtis Bok, die hem in 1921 naar Europa bracht, waar hij in contact kwam met mensen als Igor Stravinsky, Fernand Léger en Ezra Pound.
In die decade begon hij aan een forse productie. Hij schreef orkeststukken en vioolsonates, maar zijn bekendste werk werd het befaamde Ballet Méchanique (1923/24), dat hij schreef voor een film van Léger. Muziek en film zijn nooit volledig gecombineerd geworden, eenvoudigweg omdat de geluidsfilm nog niet was uitgevonden. Dat zou pas in 1927 gebeuren. In wel meer opzichten werden Antheils plannen geregeld gedwarsboomd door falende technologie. Voor het Ballet Méchanique moest hij iets bedenken om 16 pianola’s synchroon hun ingewikkelde kunsten uit laten voeren. Ook die muziekmachines faalden nu en dan.
In zekere zin liep Antheil met zijn experimenten vooruit op het werk van de Amerikaans-Mexicaanse componist Conlon Nancarrow, die ook pianorollen zou gaan gebruiken, maar vooral omdat zijn muziek simpelweg te moeilijk was om door mensen gespeeld te worden: stukken geschreven in pi kwartsmaat, of wortel 5 achtstemaat. Zo ver ging Antheil nu ook weer niet. Zíjn raffinement verborg hij vooral onder heel veel acoustisch geweld.
In zijn autobiografie uit 1945, Bad Boy of Music, een bestseller die volgens velen in de categorie fiction thuishoorde, in plaats van non-fiction, beschrijft hij hoe hij, doodmoe geworden van telkens weer massa’s mensen die de zaal verlieten als hij gedurende een recital één van zijn eigen composities begon te spelen, de deuren van de concertzaal liet afsluiten, een grote revolver uit zijn binnenzak haalde en die op de vleugel legde. Dat garandeerde, zo schreef hij gniffelend, een muisstil en bijzonder oplettend publiek.
Ik leerde zijn werk kennen door de uitgave van een langspeelplaat met een gulle greep uit zijn oeuvre, uitgevoerd door het Nederlands Blazersensemble onder leiding van Reinbert de Leeuw, die ook piano/vioolduetten speelde met Vera Beths. De finale van zijn eerste vioolsonate klonk zo agressief, tomeloos en hard, dat je als het ware de strijkstok ter plaatse hoorde vergaan tot een warrige wolk losse haren. Wat een woede!
Zoals wel vaker gebeurt met wat in wezen toch een modeverschijnsel is, taande na verloop van tijd de belangstelling voor Antheil’s wilde machinemuziek. Een aantal voorstellingen mislukte door technische mankementen en de componist werd niet langer serieus genomen. Hij keerde het modernisme de rug toe en begon, net als Stravinsky en Prokoviev, neoklassiek te componeren. Was het ironische neoclassicisme van de twee Russen in zekere zin nog modern te noemen, Antheil wees het modernisme in zijn geheel af. Hij was niet meer modern, hij was voorbij modern.
Naast componeren hield hij zich met van alles bezig. Zo schreef hij onder het pseudoniem Stacey Bishop een misdaadroman, Death in the Dark, die in 1930 verscheen, geredigeerd en uitgegeven door T.S. Eliot. 
Maar het aller-vreemdste aspect van zijn veelzijdigheid bleek toen hij naast al het andere werk tijd vond om columns te schrijven in tijdschriften als Esquire. Zo publiceerde hij een syndicated column met relatieadviezen. Hij beschouwde zichzelf vooral als een expert in de vrouwelijke endocrinologie en schreef een serie artikelen met titels als The Glandbook for the Questing Male, over de mogelijkheden om beschikbaarheid van vrouwen te bepalen aan de hand van hormonale effecten op hun uiterlijk. Deze journalistieke activiteiten resulteerden uiteindelijk zelfs in een monografie over de toepassing van endocrinologie bij detectivewerk: Every man his own detective, a study of glandular criminology.
Ook schreef hij nog een pamflet met als titel The Shape of the War to Come, met voorspellingen over de komende Tweede Wereldoorlog, die achteraf wonderbaarlijk goed zouden uitkomen.
George Antheil bleef in hoog tempo hoogwaardige opera’s en symfonieën componeren, alsook heel veel filmmuziek. Hij stierf in 1959 aan een hartaanval en zou pas vele jaren na zijn dood de aandacht weer terugkrijgen die hij verdient.

woensdag 24 oktober 2012

Stukje over taal, macht en maatschappij – en niet over schaken



Wie de Dwarse Man al reeds wat langer volgt, weet dat ik in het verleden heb geschaakt. Of om het preciezer te zeggen: heb geprobeerd te schaken. Ik was niet erg sterk en er zat geen progressie in en uiteindelijk ben ik er maar mee gestopt.
Wat de meeste mensen niet weten is dat ik ook gediplomeerd schaakscheidsrechter was. Vermoedelijk nog steeds ben, al zal een grondige inhaalcursus wel noodzakelijk zijn. Iemand die wel bekend was met dit merkwaardige feitje, heeft me een aardig boekje cadeau gedaan dat verscheen naar aanleiding van het Nederlandse Kampioenschap Bedrijvenschaak 2012, deze keer georganiseerd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie ten Haag. Het boekje draagt de ernstige titel Een introductie in het schaakrecht. Het is uitgegeven in de onverbiddelijk gestrenge stijl die alle publicaties van dat instituut kenmerkt, maar natuurlijk is het een beetje tongue-in-cheek. Niettemin: een boekje over spelregels, daar kun je me altijd mee plezieren.
Ik wil het naar aanleiding van dit boekje niet over schaken hebben, maar over taal, macht en maatschappij, en dat zal ik doen aan de hand van het voorwoord door de staatssecretaris van veiligheid en justitie, een zekere Fred Teeven. Na een beleefde inleidende alinea barst de staatssecretaris los met:

‘Ik vind schaken belangrijk. Er bestaan harde bewijzen dat schaken goed is voor de jeugd. Schaken helpt leerlingen beter na te denken, te analyseren, te concentreren en hen te helpen aan grotere zelfbeheersing en zelfvertrouwen. Er is minder studieuitval, minder strafrechtelijk gedrag en minder druggebruik. Schaken is goed voor de bevordering van emancipatie.
En voor ouderen geldt dat schaken een goed middel is tegen Alzheimer.’

Zozo! Daar staat nogal wat. Laten we het maar eens zin voor zin doornemen.
‘Er bestaan harde bewijzen dat schaken goed is voor de jeugd’, schrijft de staatssecretaris. Ik weet bijna zeker dat die harde bewijzen niet bestaan. Misschien zijn er goede aanwijzingen, maar een goede aanwijzing is geen bewijs, laat staan een hard bewijs.
‘Schaken helpt leerlingen beter na te denken, te analyseren, te concentreren en hen te helpen aan grotere zelfbeheersing en zelfvertrouwen.’ Schaken helpt leerlingen hen te helpen?? Beetje haastwerk, dit voorwoord, vrees ik. Of de staatssecretaris is zelf geen schaker, en heeft dus concentratieproblemen. Wat de staatssecretaris eigenlijk nodig heeft is iemand die zijn gedachtegang kan vertalen naar eenvoudig en correct Nederlands. ‘Grotere zelfbeheersing en zelfvertrouwen’. De zelfvertrouwen?
‘Er is minder studieuitval, minder strafrechtelijk gedrag en minder druggebruik.’ Teeven bedoelt: ‘De verwachting is, dat er … zal zijn, indien....’ De veronderstelling wordt, net als in de tweede zin, voor het gemak maar vast als feit gepresenteerd. Dat scheelt tijd. Studieuitval staat trouwens niet in de van Dale. ‘Strafrechtelijk gedrag’?? ’t Zal wel jargon zijn, maar ik vind het een versluierende manier van formuleren. In eerste instantie doet het koddig aan, maar er zit iets kwaadaardigs, want onbepaalbaars, in dergelijke mistige bewoordingen.
‘Schaken is goed voor de bevordering van emancipatie.’ Let wel: goed voor de bevordering ervan, niet voor de emancipatie zelf. En dan: welke emancipatie? En waar in het Grote boek van onweerlegbaar bewezen zaken staat dit allemaal? Wat heeft een dergelijke betekenisloze kreet voor waarde?
Oh, kijk! ‘Voor ouderen geldt dat het een goed middel tegen Alzheimer is’. Zelfs dat is tegenwoordig niet algemeen meer aanvaard. Neurologen wijzen er de laatste tijd op dat de waarde van hersentraining de afgelopen jaren waarschijnlijk behoorlijk overschat is geweest.
Trouwens: schaken is dus hartstikke goed voor leerlingen en bejaarden? Verder niet? Iedereen tussen de 16 en 75 ondervindt geen gunstige effecten van de beoefening van het spel?
Natuurlijk, dit is maar een klein stukje uit een voorwoord voor een onbenullig boekje, maar deze zelfde Fred Teeven gaat morgen in zijn kantoortje wel de Nederlandse wet veranderen op grond van als feiten gepresenteerde veronderstellingen, onbewezen kreten en slecht geformuleerde verwachtingen. En hij niet alleen natuurlijk. Iedere bewindvoerder, iedere manager, iedere beslissingennemer doet dat en vandaar de titel van dit stukje. De filosofen hebben ons sedert Plato ervan doordrongen dat goede taal, gecombineerd met goede redeneringen een enorme macht kan hebben. Maar de huidige generatie machthebbers overtuigt ons ervan dat slechte taal, gecombineerd met ondeugdelijke redeneringen, een nog veel grotere macht heeft.
Dat doet huiveren.

dinsdag 9 oktober 2012

Cabrales

Ik was laatst op een feestje en vond mij op een gegeven moment terug in de keuken, een voor mij niet geheel vreemde ontwikkeling omdat ik op partijtjes altijd enorme peuzelhonger heb en me met mijn lage bromstem toch niet verstaanbaar kan maken als er ergens muziek hard staat. Op een grote keukentafel waren de versnaperingen uitgestald. Naast manden met stokbrood, een fraaie pastasalade en enkele schalen met aardnoten, trof ik er ook een uitgebreide en fantasierijke selectie kazen aan. Het stonk in die keuken dat het een aard had. Een platte Munsterkaas walmde gezellig alle windrichtingen uit en allerlei andere kazen voor gevorderden deden enthousiast mee. Een medefeestganger selecteerde een paar stukjes en begaf zich met zijn kartonnen bordje weer naar zijn vrouw. Angstvallig, zo zag ik, had hij één schotel links laten liggen. Ik glipte wat dichter naar die schotel toe. Erop lag iets dat nog het meeste leek op bedorven paté, of het inwendige van een weggerotte boom. Ik durfde met geen mogelijkheid te zeggen wat dit grauwe, schimmelige hoopje afval moest voorstellen. Was het eigenlijk wel kaas?

Met twee kiese, tentatieve vingers plukte ik een minimaal stukje uit de angstaanjagende massa en dapper legde ik die op mijn tong.
In eerste instantie weigerden mijn hersenen te registreren dat ze iets proefden: ze waren in shock. Toen het rationele zenuwstelsel hen ervan overtuigd had dat ze weer aan de slag moesten, begonnen ze allerlei alarmsignalen te verspreiden. Zilt, scherp en mateloos intimiderend was de smaak van dit spul dat uit een nachtmerrie gekomen leek te zijn. Maar wat was die smaak zuiver! Geen spoor was er te bekennen van die typische, bittere ammoniaklucht als van gedragen ondergoed, die zo al te veel belegen kaas oneetbaar maakt. Ik nam een tweede stukje, weer zo klein mogelijk. Ik liet het smelten op mijn tong en zocht naar de gastheer. ‘Wat, in naam van de goden, is dit?’

Gerard glimlachte en zei eenvoudig: ‘Cabrales.’

‘O,’ zei ik.

Ik heb de monsterkaas op internet opgezocht. Cabrales is een Spaanse blauwschimmelkaas van ongepasteuriseerde melk. De beste wordt gemaakt in het voorjaar, wanneer de koemelk aangevuld kan worden met geiten- en schapenmelk. Door de zilte zeelucht van dat deel van Asturië, de alom aanwezige esdoornbladeren, waar de kaas in verpakt wordt, en door de werkelijk indrukwekkend actieve blauwschimmel die ervoor zorgt dat een goed rijpe Cabrales voor 65% uit schimmel, en nog maar voor 35% uit kaassubstantie bestaat, maakt dat deze grijsgele kaas een volstrekt unieke smaak heeft gekregen. Een smaak die je nooit meer vergeet en waar je de rest van je leven naar blijft verlangen.

‘Ik heb hem meegenomen uit de streek zelf,’  vertelde Gerard trots. ‘Deze kaas kun je in Nederland niet krijgen.’

Sterker: vermoedelijk mag hij hier niet eens verkocht worden van de warenwet. Ik moest denken aan het bekende Engelse kookduo The Two Fat Ladies, van wie de dikste in een kaaswinkel de kijkers adviseerde om heel scherp de uiterste houdbaarheidsdatum in de gaten te houden. Alleen kaas die daar ver overheen was, kon wat haar betreft door de beugel.

Ik nam nog een derde stukje en rende toen de feestzaal in om iedereen ongevraagd te adviseren zo snel mogelijk hun insipide en obligate borrelgesprekken te staken, zich de keuken in te haasten en die rare toverkaas te proeven.

Nog niet zo lang geleden heb ik eens beweerd dat ik me een beetje begon te vervelen met kaas. Hoe dom kan een mens zijn!

zaterdag 29 september 2012

Eindexamenbegeleider

Als je het hebben wilt over “politiek incorrecte jeugdliteratuur” (en wie wil dat nu niet?), dan ontkom je niet aan de Bob Evers serie. Alles aan deze reeks was wat de huidige mens met opgetrokken neus aanschouwt. Het wereldbeeld in deze serie tentoongespreid, de levensinstelling zoals door de jonge helden verwoord, de politieke incorrectheid druipt ervan af. Boven alles geldt dit voor de zeer omstreden levensloop van de schrijver van de reeks zelf, Willy van der Heide.

Willy van der Heide is een van de vele pseudoniemen van de schrijvende schelm Willem van den Hout, die tijdens de oorlog een bedenkelijke rol speelde onder het pseudoniem Willem W. Waterman, die meisjesboeken schreef als Sylvia Sillevis, maar net zo gemakkelijk pornoverhalen onder pseudoniemen die de lezer zelf ook wel kan verzinnen. Een overtuigde broodschrijver dus, een hacker. Maar wel degelijk een goede schrijver. Vooral een zeer behendig stylist.

Hoewel ik ook heden, op min of meer gevorderde leeftijd, nog steeds zo nu en dan met veel plezier een deeltje lees, doe ik dat niet meer zo fanatiek als bijna 40 jaar geleden tijdens wat nu in de annalen gedagboekt is als de „Eerste Integrale Evers-lezing”. Het waren de eindexamenweken en de stamp-procedure was als volgt: twee uur blokken, dan een deeltje Bob Evers lezen, dan weer twee uur blokken, daarna weer een deeltje. Drie deeltjes per dag, twee weken lang. Na een paar dagen werden vanzelfsprekend de bloktijden korter en korter, eerst anderhalf uur, later nog maar nauwelijks een uur. Zo verslavend waren de deeltjes. Achteraf is het een groot wonder dat ik dat examen gehaald heb (wel met een herexamen, overigens). Ik kan uit eigen praktijk het oordeel van de “betere jeugdboekhandel” bevestigen: Bob Evers corrumpeert echt de jeugd!

Wat me vanaf het moment dat ik de boeken voor het eerst ben gaan lezen het meest fascineerde, was het feit dat de middelbare scholieren Bob Evers, Arie Roos en Jan Prins er allerlei eigenaardigheden op na hielden die je veel eerder bij een gepokte en gemazelde avonturier van 55 (zoals van den Hout zelf) zou verwachten, dan bij een stel jongens van 16.
Om een voorbeeld te noemen: wanneer Arie Roos in Den Haag moet zijn (goed beschouwd is dat op zich al een vreemde voorstelling van zaken: een Amsterdamse middelbare scholier die „toch even in Den Haag moet zijn”), ging hij altijd bij Het Gouden Hoofd langs, waar ze hem wel kenden. Als de jongens ergens in de provincie terechtkwamen, Ootmarsum, Oldenzaal of Oisterwijk, dan wisten ze er altijd wel een vaag vertegenwoordigers-hotelletje of een wegrestaurant waar ze bekend waren en waar ze zes broodjes halfom en zes broodjes ei konden bunkeren. De jongens hadden voor het gemak maar de volledige luidruchtige sociale en culturele context van hun besnorde en wereldwijze schrijver aangemeten gekregen. Ze hielden niet van popmuziek, maar van jazz, ze lazen geen romannetjes, maar alleen maar boeken over veldslagen, vliegtuigen en mijnbouw in de Andes.
Alleen de rook- en drinkgewoonten van hun bulderende schepper bleven de jongens bespaard: ze rookten wel eens en dronken als het niet anders kon nu en dan een glaasje bier, maar (en dat vind ik een geniale vondst) „ze hielden er eigenlijk niet zo van”. Ze hielden het liever bij Droste-flikken, London Tonic en blikken ananasschijven.

De avonturen varieerden van grote, panoramische epen, die tegen de zeshonderd pagina’s nodig hadden om tot volledige ontplooiing te komen, tot kolderieke niemendalletjes, die het maar ternauwernood de 192 pagina’s van een pocket-deeltje uithielden. Er werd in samenwerking met de FBI gerausd door vier continenten, maar ook werd er een eenvoudig toeristenhotel op stelten gezet, of kregen Peter Schilperoort en zijn Dutch Swing College Band te maken met uitermate domme diamantsmokkelaars...
Negers en Chinezen deugden in het algemeen niet en al het goede op de wereld kwam uit de Verenigde Staten, ook al liet de auteur zijn twee Hollandse helden geregeld hun Amerikaanse vriend in de zeik nemen.

Heel veel avonturen vonden plaats op het water: op stoomvrachtvaarders en plezierjachten in de Stille Zuidzee, in een twaalfvoets jolletje op de Kagerplassen, in een roeivlet op de Loosdrechtse plassen, of op een raderboot in de Rijn. Maar ook trein, vliegtuig en natuurlijk de automobiel waren prominente requisieten in de avonturen. Op een leeftijd dat u en ik overwogen om een brommertje aan te schaffen, hadden de jongens vliegbrevetten, rijbewijzen en zeevaardigheidspapieren. Geld speelde ook al geen rol, want niet alleen waren de jongens alle drie van gegoede families, maar bovendien hebben ze in de loop der jaren met hun avonturen tonnen verdiend.

Dit alles maakt het niet eens zo gemakkelijk om je met de jongens te identificeren: ze zijn daarvoor te zeer larger than life. En naarmate de serie vorderde, werden hun eigenschappen steeds zwaarder aangezet: de dikke en slimme Arie Roos werd monsterlijk dik en onmenselijk slim; zuinige Jan Prins veranderde langzaam in een ware vrek, en Bob Evers werd allengs doorzichtiger, totdat zijn karakterloosheid zijn enig overgebleven karaktereigenschap bleef. Het is om die reden waarschijnlijk niet zo’n slechte ontwikkeling geweest dat Van der Heide op een gegeven moment vanwege een meningsverschil over contracten gestopt is met de reeks. Dat het concept, schoongepoetst en gemoderniseerd, wel van unieke waarde was, blijkt uit het feit dat na de dood van van der Heide alweer een hele berg deeltjes verschenen is, nu geschreven door Peter de Zwaan.


Of deze Bob Evers versie 2.0 dezelfde magische uitstraling bezit als de 35 canonieke deeltjes van de oorspronkelijke schepper, weet ik niet. Als een ware van der Heide-adept heb ik me er tot op heden nog niet toe kunnen brengen om ze te lezen. Om over de groeiende stapel stripalbums nog maar te zwijgen...

vrijdag 14 september 2012

Verhaal dat uiteindelijk over katten blijkt te gaan

(Nog steeds is het oude blog volledig in het ongerede. Dat komt nooit meer goed. Liever dan het hele oude blog integraal te verhuizen, wat ik andere slachtoffers van het blog-débacle heb zien doen, vind ik het prettig om zo nu en dan (en soms om geen andere reden dan dat ik gepord ben om er weer eens aandacht aan te besteden) iets uit dat blog op te pakken, er een beetje aan te schaven, en het vervolgens in het nieuwe blog te plaatsen. Ik noem en tag dit: "Blogherstel".)


Vanaf de straat zag ik al direct wat het grote bezwaar zou zijn: de woning was veel te klein. Desondanks belde ik aan, ik stond hier nu toch. Geen reactie.
Ik klopte tegen het raam. Een oudere dame, die blijkbaar ook het huis kwam bezichtigen keek op, schrok toen ze mij door het raam zag, en liep verder, een achterkamer in. Ik belde nogmaals en tikte voor de tweede keer tegen het raam. De deur werd, naar het scheen met de grootste tegenzin, door een vlezige man van achter in de veertig opengeschoven.
‘D'r zit een bel op de deur, hoor ouwe.’ Ik was zevenendertig, hij in de veertig. Ik voelde direct een sterke antipathie tegen hem.
‘Het is me opgevallen,’ fluisterde ik, onthutst zoals ik dat altijd meteen ben bij misplaatste brutale onbeschoftheid. ‘Ik neem aan dat de bel wel weer stuk zal zijn, zoals bijna alles bij deze woningbouwvereniging meestal niet werkt.’ De man drukte op de bel. Vanuit het huis was zachtjes gerinkel te horen.
‘Niet als je op de goede bel drukt.’ Ik was hem naar binnen gevolgd. Hij had dikke billen.
‘Voor mensen die ik niet mag ben ik gewoon u en meneer.’

Na aldus de stemming van het onderhoud op plezierige wijze geregeld te hebben, negeerde ik de man verder en begon ik de woning te inspecteren.
Twee lelijke vrouwen, kennelijk een moeder met haar dochter, waren zich met de discussie gaan bemoeien door de kant van de bewaarder te kiezen. Ze smoesden onder elkaar. Ik kon niet dan met verbazing naar ze staren. Wat genen al niet doen om zich voort te planten. Achteraf denk ik dat het feit dat ze zich van een soort mensentaal bedienden, in plaats van het woedende gegrom dat ik verwacht had, me zozeer getroffen had dat ik er een verbijsterd zwijgen toe deed. Ik zag dat ze volgnummer 1 hadden. Zij zagen dat ik volgnummer 2 had. Het angstige, oude vrouwtje droeg nummer 5.
Het bekijken van de woning was snel gedaan. Zoals ik buiten al gedacht had, was alles veel te klein. Ik had thuis tussen de stenen van mijn veranda grotere groenstroken dan het droevige, miezerige driehoekje tuin achter deze woning. Ik zou hier dagelijks op Graham of Joni trappen. En dat alles voor het twijfelachtige voorrecht, in een "betere" buurt te komen te wonen? 
Ik groette het oude vrouwtje vriendelijk en smeerde hem.
‘Mag ik uw nummer?’ vroeg de man. Ik staarde naar zijn schoenen, inspecteerde zijn zonder smaak gekozen broek en zei zacht tegen zijn bollende buik: ‘Nee.’
Buitengekomen genoot ik van de gedachte hoe de vrouwen het huis zouden accepteren enkel om mij een loer te draaien. Dan zou die lelijke dochter jaren vast zitten aan de stuitende woning. Tenzij ze natuurlijk een bemiddelde partij zou huwelijken, wat ik uitgesloten achtte. (Een boosaardig sprookje zou nu eindigen met: "En als er niets gebeurd is, dan zit ze daar nu nog.”)

maandag 6 augustus 2012

Man is zoon van de droom


na wat onverwachte, onverwerkbare, onoverzichtelijke
onzingedachten (koetsen schommelend door een al te zachte
veenbodem, overgooiers van lang geleden, weggegooid allang

en slechts in droom hervonden), precies op het moment dat
ik met groot geweld gewekt werd door die weemakende,
welbekende val vooruit het onbekende in, en trillend rechtop

in mijn vreemde bed zat, met bonkend hart en droge bek,
wist ik wel zeker dat de rest van deze dag gevuld zou zijn
met vage vrees, gespeend van hoop op troost of leven.

woensdag 18 juli 2012

Treinschrijver

Ik schrijf bijna alles in de trein. De kleine
drie kwartier heen en terug naar mijn werk is een ideale tijd, qua spanningsboog, om een paar alinea’s van zekere kwaliteit te produceren. In de spitsdrukte verberg ik me knus achter mijn MacBook en tik er lustig op los. Mijn roman in wording is in zijn geheel in de trein geschreven, maar evenzo dit simpele stukje.
Ik ga zitten (het liefst met mijn rug naar de rijrichting – dwarse mannen zijn dwars tot in iedere vezel), maak het slanke, witte apparaat wakker, duw de USB-stick met teksten en begeleidingsmuziek in één van de daartoe bestemde sleuven, schroef de oordopjes in, kies een album uit alsmede een te bewerken tekst, en ga tikken, soms in mijn creatieve roes gestoord door de kaartjesknipper, zoals nu bijvoorbeeld.
De USB-stick dient als tekst- en muziekcentrum. Meestal staan er zo’n honderd langspeelplaten op waaruit ik later, op de werkplek aangekomen, ook mijn arbeidsvitaminen kies. En daarin zit hem het risico.
Want vandaag moest ik ineens gehaast weg van mijn werk, omdat mijn horloge stuk is en ik de tijd niet goed in de smiezen had en ik nog twee treinkaartjes moest kopen, u snapt hoe zoiets gaat: de kosmos. Wel verheugde ik me op een extra lange treinreis, want ik moest naar mijn moedertje in een buitenwijk van Amsterdam. Veel schrijftijd dus, en een lekkere live-dubbelaar van Fairport Convention in het vooruitzicht.
Ondanks boosaardig Karma haalde ik de trein met een minuut speling. Opgelucht graaide ik in het zijvakje van mijn tas naar de USB-stick en greep dramatisch mis. Oh! Cunt! Stick nog in computer op werkplek. In mijn innerlijkste gedachten vloek ik meestal met een zwaar Engels arbeidersaccent, dus mijn hoofd galmde van het spuugrijk gearticuleerde “Oi fffuck!” dat mijn cockney-innerlijk zich liet ontvallen.
Nu zult u denken: ‘Hindert toch niet, Dwarse, je hebt je computer nog, daar kun je ook zonder stick net zoveel op tikken als je maar wilt.’ Ja, u hebt nog gelijk ook. Ik heb zelfs voor alle zekerheid ook op de MacBook een muziekcollectie staan, dus wat weerhoudt me er dan van om jubelend…?
Ik zal het u vertellen. Dat ik stickloos ben, betekent dat ik nu en hier iets nieuws moet beginnen, zomaar vanuit het niets. Wat mijn vriend de Rookzanger op tweewekelijkse basis met groot élan doet: gaan zitten en beginnen, op afroep, ik vind dat tegenwoordig ongelofelijk. Vroeger kon ik dat ook. Ik ging er prat op dat ik binnen een uur over ieder denkbaar onderwerp een redelijk leesbare en niet al te snel door de mand vallende tekst kon schrijven. Iets kunstigs dat voor een echt gedicht door zou kunnen gaan in zelfs een half uur. Dit schaamteloos opscheppen dient ter illustratie van mijn tegenwoordige problemen.
Want ik kan dat niet meer. Ik moet me tegenwoordig, ritueel bijna, ergens toe zetten. Ik heb niets waar ik zomaar over kan schrijven. Er ligt al een tijdje een groot verhaal in de steigers over endocrinologie, Tsjechische kunstfilms, Torpedo’s, Hitler en woeste, mechanische muziek, maar daar kan ik pas goed aan beginnen als ik mijn documentatie op orde heb en ervan overtuigd ben dat mijn geest fris is en open staat voor het nieuwe. Het één, noch het ander is op het moment het geval. Bovendien bevindt zich die docufuckingmentatie, voor zover die wel al geoogst is, op diezelfde vervloekte achtergelaten stick!  Bleedin’ ‘Ell!
Daar zit ik dan in de sprinter van 13:11. Wat nu te schrijven?
Na in 2011 een aantal maanden maar wat ongedisciplineerd te hebben aangerommeld in mijn blogje, ben ik meer en meer de noodzaak gaan voelen van een zekere consistentie, niet slechts in stemming en stijl, maar ook en vooral in thematiek. Het moet tegenwoordig bij mij vooral erg cultureel zijn, maar tegelijkertijd liever niet al te verheven, graag een beetje aards. Op die manier heb ik de laatste tijd geprobeerd te benadrukken dat ik een voormalige hippie ben die, kaal nu, bars en oud, niets wezenlijks van dat hippieachtige is kwijtgeraakt.
Nogmaals: daar zit ik dan. Een treinrit van een uur in het verschiet, een leeg vel en geen onderwerp. Klassieke situatie. Waarover moet ik dan nu gaan schrijven?
‘Hou op met dat gezanik, Dwarse, ga lekker uit het raam zitten kijken.’ Ik hoor het u zeggen. Maar nee, dat kan ik echt niet. Dan zou de treinreis meteen geen uur, maar anderhalve dag gaan duren.
Een stukje over iets dat me bezighoudt, cultureel of anderszins, dat wil er niet uitkomen.
Toch moet ik! Ik moet! Ik moet schrijven!
‘Hou op met mekkeren en begin dan gewoon,’ zult u nu, langzamerhand een beetje geïrriteerd, opmerken, ‘druk gewoon op een paar toetsen, formuleer een paar woorden en kijk waar het schip strandt.’
En dat heb ik dan nu maar gedaan. Waarover schrijf je, als je niets hebt om over te schrijven? Precies: over jezelf.

vrijdag 6 juli 2012

Picnic, of de kunst der fotografie


Omdat de schilderkunst van de moderne tijd (1650-heden) mij maar heel matig kan boeien, heb ik mijn belangstelling voor de beeldende kunst langzamerhand verplaatst naar de fotografie. Op heden durf ik te beweren dat de fotografie de enig overgebleven serieus te nemen beeldende kunst is die we hebben.
Op het moment ben ik bezig met een soort micro-projectje: ik plaats nu en dan één van mijn favoriete foto’s op mijn Facebook-muur. Tot nu toe waren dat Lunchtime on a Skyscraper (1932) van Charles C. Ebbet en Dresie & Casie, twins, Western Transvaal (1993) van Roger Ballen. Dit zijn twee foto’s die me, om totaal verschillende redenen, altijd vreselijk verontrusten, iedere keer weer. De volgende foto die ik gepland had, zou er één hebben moeten worden waar ik juist altijd heel zacht melancholiek blij van word, Picnic (1937) van de Amerikaanse fotografe Lee Miller.
Niks aan de hand, totdat ik op internet iets ontdekte dat me ertoe bracht om over deze foto een  stukje te schrijven op dit blog.


Laten we eerst maar eens naar de foto kijken. Het is 1937, we zijn in Cannes.
Het gaat in deze foto wat mij betreft om de details die tezamen een geheel vormen, en aldus een allesoverheersend gevoel overbrengen. De kleine, wellustige satyr-oogjes van Man Ray, die het schaamteloze liefdesspel van Paul en Nusch Éluard met welgevallen begluurt, staan in scherp contrast met de haast engelachtig naar de hemel gerichte ogen van de ontstegen Roland Penrose (surrealistisch schilder, oom van de befaamde geleerde sir Roger Penrose en de voormalige topschaker Jonathan Penrose). We laten ons volledig inpalmen door de warme, gezichtsbrede lach van Ady Fidelin met haar vrolijke tropentietjes. Deze danseres uit Guadeloupe was een tijd lang de muze van Man Ray.

Hier is een moment in de tijd gevangen, het is een geïdealiseerde herinnering geworden. Een luwte van bedrieglijke vrede in het jaar dat heel Europa langzaam zal beginnen te ontbranden. Allengs is deze idylle voor mij tot een soort ersatz-herinnering geworden. Alsof ik hier eigenlijk bij geweest ben. Nu en dan haal ik het plaatje weer eens tevoorschijn en telkens zie ik nieuwe details. De harde, zonder twijfel ongemakkelijk zittende pumps van Ady, die verder zo losjes en ontspannen topless zit te wezen. De enorme muilen naast Nusch (veel te groot voor haar, waren die van Paul?) De betreurde afwezigheid op de afbeelding van Lee Miller zelf. Die zou natuurlijk oorspronkelijk links van Paul hebben gezeten, tegenover Roland, met wie ze later zou trouwen. Overigens, niet dan nadat ze allebei een hele sliert aan affaires achter de rug hadden, Roland onder andere ook met Ady. Vanzelfsprekend zou Lee ook topless geweest zijn, daar wilde ik wel wat geld op inzetten.
De foto is een vreemd, geraffineerd mengsel van onschuld en verrukkelijke, dubbelzinnige erotiek geworden en daardoor wat mij betreft een hoogstaand en volwaardig kunstwerk.
Maar hoeveel schijn zit er niet in het plaatje, als je je realiseert dat iedereen die hier afgebeeld is, zijn of haar partner met grote regelmaat ontrouw was en van affaire naar affaire dartelde, aan de vooravond van de grote oorlog?

Toen ik op Internet voor mijn Facebook-muur de beste versie van deze foto zocht, had ik een kleine schok. Nooit had ik geweten dat er een tweede versie van dezelfde scène bestond, maar nu genomen door Roland en met Lee in zijn plaats. En wat een rare foto is dit!


Want wat zie ik een boel verschillen, kleine en grote! Ady heeft haar knellende schoenen uitgeschopt. Nusch heeft, na de gepassioneerde omhelzing, een heel moderne pose aangenomen: haast alsof ze haar inbox checkt. De argwanende loeroogjes van Man Ray kijken een beetje verstoord naar de lens. En daar heb je Lee Miller, ja hoor, inderdaad ook topless, zie je wel.
Je ziet nagenoeg dezelfde mensen, dezelfde (ont)kleding, dezelfde hoek en toch, en toch… Wat ontbreekt er veel op deze foto vergeleken bij die andere, die beroemde van Lee. Weg is de anekdote, weg is het Moment. Er is niets over. Het is alsof de complete mise-en-scène opgeruimd en afgeschminkt is.
Waar Picnic 1 een fotografisch kunstwerk is, blijft Picnic 2 slechts een haastig en ondoordacht geschoten kiekje. Waarmee voor mij zonneklaar wordt bewezen dat ten eerste fotografie een grote kunst is, en ten tweede dat Lee Miller een veel grotere fotokunstenaar was dan Roland Penrose.

PS 26 mei 2014: Nog weer later ontdekte ik een tweede foto van Roland Penrose. Zie hier.
PS2 20 september 2015. Tweede aanvulling.